Tools in de console¶
Het concept achter tools staat in Tools.
Alles over tools staat in de linkerbalk onder Tools:
| Onderdeel | Wat je er doet |
|---|---|
| Overzicht | zien welke tools je organisatie heeft, per soort, en een tool openen en proberen |
| MCP-servers | een server registreren en kiezen welke tools hij aanbiedt, zie MCP-servers |
| API-koppelingen | een eigen HTTP-verzoek als tool registreren, zie API-koppelingen |
| Scripts | een eigen programma als tool, zie Scripts |
| Aliassen | een tweede naam voor een tool die je al hebt, zie Een tool hernoemen |
| Systeemtools | zien wat Core zelf meebrengt en welke sleutels het aan hebben |
| Toolsets | tools groeperen zodat een verzoek de groep kan noemen in plaats van elke tool |
| Computers | de computers die de computertools hebben gestart, zie Computers |
Zoektools voor kennis stel je in bij Kennis > Zoektools; ze staan in het Overzicht tussen de andere tools.
Sleutels van de organisatie kunnen deze tools aanbieden in een beurt, voor zover hun beleid dit toestaat. Zie Tools via de API voor API-voorbeelden.
Je hebt een beheerdersaccount van de organisatie nodig, en de capability tooling moet in het
plafond van de organisatie aanstaan.
Een toolset samenstellen¶
Een toolset is een benoemde groep tools uit elke bron, en hij bestaat uit regels: losse tools of
patronen zoals mcp__agenda__*. Een verzoek noemt de set in plaats van elke tool erin op te sommen.
Wat erin valt, verandert mee als er tools bijkomen of verdwijnen. Elke MCP-server die je registreert
is óók een toolset van zijn eigen tools, in de lijst aangeduid met automatisch bij de server; die
verander je bij MCP-servers, niet hier.

De lijst toont per set de eerste regels, hoeveel tools Core er nu uit haalt, welke agents hem noemen en waar hij vandaan komt. Een set die op niets uitkomt, of op meer dan 128 tools, staat in oranje. Typ in Filter op naam of label om de lijst te verkleinen.
Kies Toolset maken en stel de set samen:
- Typ in Regel toevoegen een tool, zoals
mcp__agenda__vrije_tijden, of een patroon met*, zoalsmcp__agenda__*ofapi__zaak*, en kies Toevoegen.*staat voor een willekeurig deel van een naam, dusmcp__agenda__*is elke tool van de serveragenda, ook tools die die server later toevoegt. Je agents zijn ook tools:agent__samenvatten-*is elke agent waarvan de naam metsamenvatten-begint, en een beurt die de set krijgt, krijgt elke agent als agenttool. - Of kies Tools toevoegen om tools uit de catalogus te kiezen, in groepen en met een zoekfunctie. Je hoeft niet te weten hoe de naam van een tool is opgebouwd. Het vakje van een groep voegt de hele groep toe: voor een MCP-server is dat zijn patroon.
- Vul onder de regels Identifier in, waarmee een verzoek de set noemt (kan later niet meer
wijzigen; kleine letters, cijfers,
-en_, maximaal 48 tekens), een Omschrijving en eventueel Labels. - Kies Opslaan in de balk onderaan.
Elke regel zegt waar hij nu op uitkomt, met de eerste tools die hij raakt, en bovenaan staat hoeveel regels de set heeft (maximaal 64) en op hoeveel tools hij in totaal uitkomt. Komt de set op niets uit, of op meer dan 128 tools, dan waarschuwt de pagina: zo'n set biedt geen tools aan, of kan niet over MCP worden aangeboden.
Kies een toolset in de lijst om zijn pagina te openen. Een wijziging verschijnt pas na Opslaan in de balk onderaan; je blijft daarna op de pagina. Verwijderen doe je in de gevarenzone; een verzoek dat de set noemt krijgt daarna een foutmelding. De tools zelf blijven bestaan. Een toolset die de nieuwste versie van een agent nog noemt, kun je niet verwijderen zolang hij genoemd wordt.
Een toolset aanbieden over MCP¶
Elke toolset heeft op zijn eigen pagina — een set die je zelf samenstelde, of de automatische set
van een MCP-server — zijn eigen endpoint: POST /api/v1/mcp/toolsets/{name}, de bearer van een
sleutel, waar tools/list de expansie van deze set beantwoordt in plaats van de hele catalogus.
Een agent in de set wordt ook aangeboden, en een aanroep ervan draait de beurt van de agent en geeft
zijn antwoord terug; een agent die alleen op de achtergrond draait, blijft weg. Kopieer het pad, en de Claude Code- en Cursor-fragmenten ernaast, zoals je dat bij de eigen sectie
Verbinden via MCP van een sleutel zou doen. Een set van meer dan 128 tools wordt zo niet
aangeboden. Zie Core gebruiken vanuit een MCP-client voor hoe een aanroep
daarnaartoe eruitziet.
Het overzicht lezen¶
Overzicht toont alles wat een model kan aanroepen, per soort:

| Soort | Wat erin zit |
|---|---|
| MCP-servers | de tools die je MCP-servers aanbieden |
| API-koppelingen | je API-koppelingen, elk één tool |
| Scripts | je scripts |
| Zoektools uit Kennis | je zoektools |
| Aliassen | je eigen tweede namen voor andere tools |
| Systeemtools | de tools die Core zelf meebrengt |
Elke soort heeft een tegel met het aantal tools die de pagina opent waar je ze toevoegt en
verandert; elke groep kaarten herhaalt dat als Beheren. Elke tool is een kaart met zijn naam, leesbaar gemaakt
(mcp__agenda__afspraak_maken staat er als Agenda › Afspraak maken), met de echte naam eronder,
wat het model te horen krijgt dat hij doet en zijn labels. Typ in het zoekveld om tools op naam of
omschrijving te vinden; soorten zonder treffer verdwijnen.
Een kaart van een tool die het model op de achtergrond mag starten, draagt een klok met Op achtergrond mogelijk of Altijd op achtergrond. Onder het zoekveld wissel je met Overzicht en Achtergrond tussen deze kaarten en een lijst van alle tools met hun toestand voor de achtergrond, de langste run en waar de instelling staat, met de knop die haar aanpast. Die lijst staat beschreven bij In de console op Een tool op de achtergrond draaien.
Boven de lijst staat een waarschuwing voor elke agent waarvan de laatste versie meer tools aanbiedt dan Max. tools van zijn model, zoals support v3 biedt 140 tools aan, met Naar de agent. Verzoeken met die versie worden geweigerd; bied minder tools aan of kies op de versie de toolrouter. De telling omvat de eigen tools en toolsets van de versie, niet wat een aanroep toevoegt, en een versie die de router gebruikt krijgt geen waarschuwing.
De kaart Niet in dit overzicht noemt wat hier niet staat en waar je het beheert: de tools van
Geheugen, Datastores, Agents en Workflows, en de eigen API van Core
(core__...), die voor elke organisatie hetzelfde is. Core levert die operaties mee zoals een
systeemtool: een sleutel bereikt er één precies wanneer hij diezelfde operatie over HTTP bereikt.
De tools van SQL-koppelingen (sql__...) en mailkoppelingen (mail__...) hebben elk een eigen
groep in het overzicht, na de API-koppelingen, met een tegel die naar SQL-koppelingen of
Mailkoppelingen leidt (SQL-koppelingen,
Mailkoppelingen). De pagina van zo'n tool verwijst naar de pagina van de
koppeling.
Is de lijst leeg, dan heeft nog geen enkele bron een tool opgeleverd; de lege lijst verwijst naar het registreren van een MCP-server.
De pagina van een tool¶
Kies een kaart om de tool op zijn eigen pagina te openen. Daar staan:
| Kaart | Wat erop staat |
|---|---|
| Omschrijving voor het model | wat het model te horen krijgt dat de tool doet |
| Argumenten | elk argument dat de tool neemt, met zijn soort, en verplicht waar het moet |
| Komt van | een link naar de plek waar de tool echt wordt ingesteld, wat een sleutel ervoor nodig heeft, en de labels |
| Gebruikt in | de toolsets die de tool bereiken, met de regel die dat doet, en de agents die hem noemen, met hun versie |
| Op de achtergrond | of het model de tool als taak mag starten, de langste run, waar de instelling staat en de knop die haar aanpast; alleen bij een tool met een instelling voor de achtergrond, zie Een tool op de achtergrond draaien |
| Proberen | de tool nu uitvoeren, zie hieronder |
Kijk bij Gebruikt in voordat je een koppeling, een server of een zoektool verwijdert: een agent die de tool noemt houdt het verwijderen tegen. Op de labels, de afbeelding van een systeemtool of een operatie van Core en een instelling voor de achtergrond die bij de organisatie of een MCP-server staat na, wijzig je hier niets; een tool verander je waar hij is geregistreerd. Een tool die niet bestaat, of die de server niet meer aanbiedt, geeft een pagina met de weg terug naar het overzicht.
Een tool proberen¶
Proberen op de pagina van een tool voert die ene tool nu uit, met argumenten die je zelf invult, en laat zien wat een model terug zou krijgen. Het is een echte aanroep, geen voorbeeld: de bron van de tool wordt aangeroepen, het gebruik wordt gemeten en elke beleidsbeslissing wordt vastgelegd.

- Namens sleutel: kies een van de sleutels van je organisatie. Je hebt zelf geen sleutel, dus de tool draait onder de capabilities en het beleid van die sleutel, zoals een evaluatierun dat doet, en het gebruik telt op die sleutel. Een sleutel die tooling mist, of een capability die de tool nodig heeft, is in de lijst gemarkeerd en kun je niet gebruiken. Een organisatie zonder sleutel heeft niets om als uit te voeren; het blok verwijst naar Sleutels.
- Argumenten: één veld per argument dat het schema van de tool declareert, gemarkeerd als het verplicht is. Een veld voor een lijst of een object neemt JSON. Zet Bewerk als JSON aan om het hele argumenten-object in één keer te typen; een tool die geen losse argumenten declareert heeft alleen dat vak.
- Bij de aanroep: declareert de tool aanroepvariabelen, dan staat er een veld voor elk, tussen de sleutel en de argumenten. Een geheime variabele is een wachtwoordveld. Core bewaart geen geheim, en het veld wordt leeg zodra de aanroep een antwoord heeft. Een verplichte variabele zonder waarde wordt geweigerd vóór de aanroep.
- Kies Aanroepen.
Onder de knop verschijnt de uitkomst: Gelukt, Geweigerd door het beleid van de sleutel (met de reden), Fout van de leverancier of een andere fout in de eigen woorden van Core, Mislukt met de reden van Core, Afgebroken of Geannuleerd, met de status van de bron en hoe lang het duurde. Daaronder staat wat het model leest, eventuele gestructureerde inhoud, en de bestanden die de tool maakte: een afbeelding direct, een ander bestand als download. Een bestand komt alleen mee als de sleutel artifacts heeft en het niet groter is dan één artifact mag zijn.
Laat Core de aanroep niet eens toe, dan zegt de uitkomst dat ook: Deze sleutel krijgt de tool niet (de regels van de sleutel of de organisatie staan hem niet toe, of hij bestaat niet meer), Te vaak of Niet ingericht op deze omgeving. Zie Een tool direct aanroepen voor dezelfde aanroep met een sleutel over de API.
Aliassen¶
Een alias is je eigen naam en omschrijving voor een tool die je al hebt, met argumenten die het model
nooit ziet (Een tool hernoemen). In het formulier neemt Vaste
argumenten een rij per argument; een waarde is JSON, of gewone tekst als hij geen geldige JSON is. Een waarde
die precies {$naam} is, wordt gevuld met een invulwaarde, en precies {@naam} met een
aanroepvariabele die je applicatie meestuurt. Onder de argumenten verschijnt een rij per token: een
invulwaarde vraagt zijn waarde, een aanroepvariabele zijn soort, Verplicht, omschrijving, toegestane waarden en
standaardwaarde. Een alias kan een waarde niet versleuteld bewaren, dus geen van beide is ooit geheim. Een token
midden in andere tekst wordt geweigerd. Zie Een waarde van je klant aan een tool
meegeven.
Systeemtools¶
Systeemtools laat zien welke tools Core zelf meebrengt, zoals zoeken op het web, een pagina ophalen, een afbeelding genereren, audio transcriberen, een document lezen en de computer. Je zet ze niet hier aan maar per sleutel, in het blok Rechten van de sleutel. De tabel toont per tool wat hij doet, wat een sleutel ervoor nodig heeft, hoeveel sleutels hem aan hebben (een link naar de sleutels), of hij hier beschikbaar is, en onder Achtergrond of het model hem op de achtergrond mag starten, met Aanpassen bij de afbeeldingstools, de transcriptietools en de shelltools; zie Een tool op de achtergrond draaien. Niet ingericht op deze omgeving betekent dat de operator de dienst erachter niet heeft ingesteld; het platformlogboek is alleen voor de supportorganisatie.
Labels¶
Een toolset draagt Labels: de eigen indeling van je organisatie, waarover de regels voor personen worden geschreven. Een toolset wordt onder de soort Tools beoordeeld als een verzoek haar noemt, en elke tool erin daarnaast op zijn eigen indeling.
Een tool erft de indeling van zijn bron; Komt van op zijn pagina toont die. Een systeemtool en een operatie van Core's eigen API hebben geen eigen rij, dus die deel je in op de pagina van de tool met Labels bewerken. Een tool-alias draagt zijn eigen indeling en wordt daarnaast op die van zijn doel beoordeeld.
Zie Bouwen voor personen voor hoe een regel hierover wordt geschreven.
Voor een verzoek van een sleutel dat een persoon noemt, beslissen de regels over Tools ook welke
toolsets en tool-aliassen GET /toolsets en GET /tool-aliases tonen, en of je er een mag wijzigen
of verwijderen: een toolset op zijn naam, een alias als alias__<naam>
(Registraties). De console toont elke toolset.
Lege lijsten en toegangsbeperkingen¶
“Nog geen toolsets” en “Nog geen tools” geven aan dat de lijsten leeg zijn. Kon een lijst niet laden, dan zegt de pagina dat met de status van Core en een knop Opnieuw; tools die al worden aangeboden blijven werken.
Zie je tooling staat uit voor deze organisatie, dan staat Tools en MCP-servers aanroepen uit in het plafond van de organisatie. De beheerder van de organisatie erboven zet het aan bij Toegestane capabilities op Instellingen; voor een organisatie zonder bovenliggende organisatie doet je operator dat. Dat geldt voor elk onderdeel onder Tools.